Laatst bijgewerkt: 4 maart 2025
Psychedelische stoffen groeien wereldwijd in wetenschappelijke aandacht — zowel bij onderzoekers als in klinische settings. Een studie van de Universiteit van Californië trekt opvallende conclusies over het microdoseren van DMT: zelfs een dosis te klein om te hallucineren zou meetbare effecten hebben op depressie en angst bij ratten. Hieronder lees je wat het onderzoek precies deed, wat het gevonden heeft, en waar de beperkingen liggen.
De therapeutische effecten van psychedelica: stand van zaken
Onderzoek naar psychedelica als therapeutisch middel heeft de afgelopen tien jaar een sterke opmars gemaakt. Klinische studies naar psilocybine (Johns Hopkins, Imperial College London), MDMA (MAPS) en ketamine laten veelbelovende resultaten zien bij therapieresistente depressie, PTSS en angststoornissen. Tegelijkertijd geldt voor vrijwel al dit onderzoek dat de databasis nog beperkt is en dat grotere gerandomiseerde trials nodig zijn voor definitieve conclusies.
DMT — voluit dimethyltryptamine — is een van de meest onderzochte klassieke psychedelica. Het is ook de werkzame stof in ayahuasca, de traditionele Zuid-Amerikaanse drank die al decennia onderwerp is van zowel antropologisch als farmacologisch onderzoek. Psychiater en onderzoeker Rick Strassman deed in de jaren negentig aan de Universiteit van New Mexico het eerste gecontroleerde klinische onderzoek naar DMT bij mensen; zijn bevindingen zijn vastgelegd in het boek DMT: The Spirit Molecule, dat tot op de dag van vandaag een standaardwerk is voor iedereen die zich verdiept in de psychofarmacologie van psychedelica.
Neurale plasticiteit: wat ketamine liet zien
Het startpunt van het onderzoek van David Olson, professor chemie en neurowetenschappen aan de Universiteit van Californië in Davis, was een observatie bij ratten onder invloed van ketamine. Ketamine bleek beschadigde verbindingen tussen neuronen te kunnen reconstrueren in de netwerken die emoties en stemming reguleren — een effect dat bekendstaat als neurale plasticiteit of neuroplasticiteit.¹
Neuroplasticiteit verwijst naar het vermogen van het brein om synaptische verbindingen te hervormen. Bij depressie en chronische stress raken bepaalde neurale netwerken — met name in de prefrontale cortex — beschadigd of verarmد. Stoffen die neuroplasticiteit bevorderen, kunnen deze verbindingen potentieel herstellen. Olson vermoedde dat dit mechanisme niet uniek was voor ketamine, maar ook door andere psychedelica werd aangestuurd.
Zijn vermoeden bleek correct. In een vervolgpublicatie toonde zijn team aan dat LSD, DMT en MDMA vergelijkbare neuroplastische effecten hadden bij ratten als ketamine.² Olson noemde deze groep stoffen "psychoplastogens" — stoffen die neuroplasticiteit bevorderen via psychedelische mechanismen.
Het probleem: angst bij hogere doses
Er was echter een complicatie. De doses die nodig waren om duidelijke neuroplastische effecten te meten, veroorzaakten bij de ratten ook uitgesproken angstreacties. Therapeutisch effect en ongewenste bijwerking gingen hand in hand. Dit leidde Olson tot een centrale onderzoeksvraag: kunnen de therapeutische effecten worden bereikt zonder de hallucinogene effecten — en dus ook zonder de daarmee gepaard gaande angst?
"Ik wilde echt de vraag beantwoorden of de hallucinogene effecten van deze verbindingen nodig waren voor de therapeutische effecten," aldus Olson.
DMT microdoseren: het experiment
Olson en zijn team berekenden een dosis DMT die qua werkzaamheid vergelijkbaar zou zijn met microdoses van LSD of psilocybine. De ratten kregen elke drie dagen een microdosis DMT toegediend — een hoeveelheid te klein om hallucinatie-gedrag op te wekken. Op de rustdagen voerden de dieren gestandaardiseerde tests uit die als proxy dienen voor angst en depressie bij mensen: het geforceerde zwemtest-protocol en het open-veld-model.³
Na zeven weken maten de onderzoekers een significante afname van angst- en depressiegerelateerd gedrag bij de ratten die de microdosis hadden gekregen. De angststijging die bij hogere doses was waargenomen, trad bij de microdosis niet op. Tegelijkertijd toonden hersenmonsters van de dieren wél tekenen van verbeterde synaptische densiteit in relevante hersengebieden — de neuroplastische effecten waren dus aanwezig, ook zonder hallucinogene prikkel.
Wat betekent dit — en wat niet?
De conclusie die Olson trekt is voorzichtig maar relevant: bij ratten kunnen de therapeutische effecten van DMT, tenminste gedeeltelijk, worden bereikt zonder de hallucinogene component. Dit is wetenschappelijk interessant omdat het de gangbare aanname ter discussie stelt dat de psychedelische ervaring zelf noodzakelijk is voor het therapeutisch effect.
Er zijn echter twee belangrijke kanttekeningen. Ten eerste zijn dit rattenstudies. De fysiologie van het rattenbrain verschilt op cruciale punten van de mens, en gedragsmodellen voor angst en depressie bij ratten zijn slechts indirecte benadering van hoe deze aandoeningen bij mensen verlopen. Ten tweede had DMT bij een deel van de ratten een neurotoxisch effect: in sommige gevallen werd schade aan hersencellen waargenomen. Olson erkent dit expliciet en benadrukt dat meer onderzoek — inclusief humane studies — noodzakelijk is voordat conclusies over veiligheid en werkzaamheid bij mensen getrokken kunnen worden.
DMT, ayahuasca en verwante stoffen
DMT is van nature aanwezig in een groot aantal planten en wordt door het lichaam in sporen zelf aangemaakt. In de context van ayahuasca wordt het gecombineerd met MAO-remmende planten (zoals Banisteriopsis caapi), waardoor het oraal actief wordt — DMT op zichzelf wordt bij orale inname snel afgebroken door het enzym MAO in de darmwand. Intraveneus of via inhalatie is het wél direct actief, wat de basis vormt van de klinische onderzoeksprotocollen.
Een chemisch verwante stof is 5-MeO-DMT, een sterker en korter werkend psychedelicum dat onder andere voorkomt in het gif van de Bufo alvarius-pad. 5-MeO-DMT wordt in vroeg klinisch onderzoek eveneens bestudeerd als mogelijk middel bij therapieresistente depressie, maar staat los van het DMT-microdosing onderzoek van Olson.
Microdosing in breder perspectief
Het onderzoek van Olson sluit aan bij de bredere discussie over microdosing, waarbij gebruikers sub-perceptuele doses psychedelica nemen — typisch een tiende tot twintigste van een ervaringsgerichte dosis — met als doel subtiele verbeteringen in stemming, focus of welzijn. Anekdotische rapporten zijn talrijk, maar gecontroleerd wetenschappelijk bewijs bij mensen blijft schaars. Lopend onderzoek aan onder andere Imperial College London en de Universiteit van Toronto probeert dit gat te dichten.
Voor wie meer wil weten over de wetenschappelijke achtergrond van DMT en psychedelica in bredere zin, is het werk van Rick Strassman een goed startpunt, met name zijn boek DMT: The Spirit Molecule. Vragen over producten uit ons assortiment of over de inhoud van dit artikel? Neem contact op via de klantenservice of lees meer over Dutch-Smart op de over ons pagina.
Bronnen
Castrén, E. & Antila, H. (2017) — Neuronal plasticity and antidepressant drugs, Nature Neuroscience
Ly, C. et al. (2018) — Psychedelics Promote Structural and Functional Neural Plasticity, Cell Reports
Kuypers, K.P.C. et al. — Microdosing psychedelics: More questions than answers? PLOS ONE
